Norbertijnen

Kanoniale leven

Het apostolisch leven leiden

Degene die de weg van het canonicale leven wil bewandelen moet voor alles zich volledig tot het evangelie willen bekeren. Deze bekering, deze “omkering” van een manier van leven en denken uit zich door de overgang van een leven volgens de regels van de wereld, naar een leven dat let op de finaliteit die God aan de wereld geeft. Zij die een apostolisch leven gaan leiden, doen afstand van hun persoonlijke bezittingen en zoeken het broederlijk leven op, maar, anders dan de monniken, trekken ze zich niet terug uit de wereld. Ze worden er juist naartoe gestuurd. Ze willen dat, wat ze aan anderen preken zelf beleven en proberen te doen.

De vormgeving van ons leven is sterk geïnspireerd op dat van de eerste Kerk rond de apostelen. De Heer zelf heeft een aanzet gegeven met zijn college van apostelen en de andere discipelen.

“Zij die zijn woord aannamen, lieten zich dopen; en op die dag sloten zich ongeveer drieduizend mensen aan. Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. Vrees beving iedereen en er gebeurden vele wonderen en tekenen door toedoen van de apostolen. Allen die het geloof hadden aangenomen, bleven bijeen en bezaten alles gemeenschappelijk. Ze verkochten have en goed en verdeelden dat onder allen naar ieders behoeften. Dagelijks gingen ze trouw en eensgezind naar de tempel, braken bij iemand aan huis het brood, gebruikten samen hun maaltijden in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk. De Heer breidde hun kring dagelijks uit; steeds meer mensen werden gered.” (Hnd 2, 42-47).

Augustinus getuigde hiervan:

“Mijn idee was een leven in een klooster met broeders. Toen de eerbiedwaardige bisschop Valerius, zaliger gedachtenis, van mijn plan en mijn verlangen had gehoord, gaf hij me de tuin waar nu het klooster is. Ik begon dus “broeders met een goede ingesteldheid”, rond mij te verzamelen, mannen zoals ik, die zoals ik niets hadden, en die wilden leven zoals ik. Ik had mijn schamele boeltje verkocht en had het geld aan de armen gegeven. Zij die met mij wilden leven moesten hetzelfde doen. Dat was de voorwaarde van een gezamenlijk leven. En wat we gemeenschappelijk hadden, was een ongelofelijk rijk goed: God zelf.” (Preek 355).

De evangelische raden

De evangelische raden zijn de drie middelen die in onze professie worden aangereikt om te groeien in de liefde. In geloof en liefde horen wij de stem van de Vader die ons uitnodigt om ons met heel ons hart in celibaat aan God en de mensen te schenken en in vrijwillige armoede te leven in navolging van Christus. Omdat wij ons in onze gelofte ertoe zouden verbinden de drie evangelische raden op te volgen, is het onze roeping en onze plicht om ons met heel ons hart te wijden aan het dienen van God en de mensen. Om trouw te zijn aan die roeping moeten wij Christus zonder ophouden volgen, zoals het evangelie voorhoudt.

In armoede

Door onze gelofte zonder persoonlijk bezit te leven, en alle bezit dat wij hebben ter beschikking te stellen van de gemeenschap, staan wij ten dienste voor allen met wie wij dezelfde gelofte delen. Wat zo in gemeenschap wordt gebracht, wordt uitgedeeld aan hen die er behoefte aan hebben.

“Zo leven wij: niemand mag iets persoonlijk bezitten; er zijn er misschien die deze regel overtreden, maar er mag geen sprake zijn van persoonlijke eigendom; daaraan niet voldoen, betekent de regel overtreden.” (Augustinus, preken 355 en 356)

In een maatschappij die snel en volledig aan het veranderen is in een grote markt, kan een degelijk engagement ruimte scheppen voor belangloosheid op andere gebieden en ons herinneren aan de noodzaak van een “universele bestemming van alle goederen”.

Wat wij gezamenlijk bezitten staat ook ter beschikking van de armen. In de Geest van Christus zijn wij solidair met mensen die in ellende en armoede moeten leven. In de geest van Norbertus uit onze naastenliefde zich hoofdzakelijk in gastvrijheid en opvang van armen.

De vrijwillig gekozen armoede op grond van het evangelie, en de dienstbaarheid komen ook tot uiting in de levensstijl, de diensten aan de maatschappij bewezen, en door een bedachtzaam beheer van de gemeenschappelijke bezittingen. Maar het werkelijk gemeenschappelijk leven beperkt zich niet tot het gemeenschappelijk stellen van de stoffelijke bezittingen, zoals de norbertijn Adam Scotus in de 13e eeuw opmerkte, “je hebt je aan de Kerk van God gegeven in alles wat je bent, in alles wat je weet en in alles wat je kunt”.

Zó willen wij getuigen zoals Christus, dat alles wat de mens heeft en, meer nog, alles wat hij is, hem is gegeven om in dienst te stellen van de anderen, om het geluk waarvoor ze zijn voorbestemd te bereiken. Zo trachten wij te tonen dat het Koninkrijk Gods reeds begonnen in Christus, hoger geacht dient te worden dan alle dingen der schepping.

Het gewijd celibaat

Eén van de kenmerken van onze roeping houdt in, reeds in deze wereld blijk te geven van de aanwezigheid van het Koninkrijk Gods en de effectieve mogelijkheid om ons levensproject gemeenschappelijk uit te voeren.
Wij willen celibatair leven om ons zo helemaal aan God en aan de mensen te kunnen wijden. Door de naastenliefde en de vriendschap die wij elkaar betuigen in het gemeenschappelijke leven, en ook door onze toewijding aan de mensen, kan ons celibaat een menselijk gezicht krijgen. Het geeft ons de mogelijkheid de liefde van God voor de mensen te tonen, en gelukkig te worden.

De gelofte van kuisheid raakt de kern van onze menselijkheid: lijfelijkheid, seksualiteit, liefdesrelaties. Men kan die gelofte alleen positief afleggen door zich te wijden aan de naastenliefde. Er is discipline nodig om de verborgen rijkdom van ons wezen te ontdekken. De integriteit van ons hart moet groeien opdat onze kuisheid vruchtbaar wordt als zij liefdesrelaties schept, broederlijk en op een gelijke voet.

Onze gemeenschappen willen een plaats zijn waar elke broeder tot bloei kan komen en werken aan de ontplooiing van zijn persoonlijkheid. Wij mogen echter niet vergeten dat het gewijd celibaat ook kruis en beproevingen meebrengt, versterving en het behoeden van ons hart.

Het zijn niet wij die tot God gaan, het is God die door Jezus Christus tot ons komt. Zo moeten wij ook mens worden met onze hartstochten, onze verwondingen, onze honger. Iedere broeder geeft zich aan de gemeenschap zoals hij is, met zijn geschiedenis die getekend is door liefde die men ontvangt en geeft, maar ook door verwonding van liefde die afweert of geweigerd wordt. Groeien in de liefde van Christus die zich zonder terughoudendheid geeft, duurt heel lang, de tijd van een heel leven dat wij ontvangen van een geduldige God. Bij de mens, die geen engel is en ook geen dier, is zijn verlangen niet zo duidelijk dat hij helemaal zou begrijpen wat hem nu werkelijk na aan het hart ligt.

De vriendschap nodigt ons echter uit om naar de ander te kijken zonder hem te willen bezitten. De begeerte moet dus worden genezen en we moeten leren naar de anderen en de wereld te kijken zonder die te verslinden. Het gaat er helemaal niet om de hartstocht te doden en verschrompelde oude vrijgezellen te worden, maar om ons open te stellen voor diepere hartstochten, voor de grenzeloze goedheid van de Heer. Onze begeerte moet aan hevigheid inboeten om het sacrament van een tedere aanwezigheid te worden, van een gegeven leven waarin de goedheid van God wordt geopenbaard.

Gehoorzaamheid

Onze gemeenschap waarin “men gehoorzaamt aan de overste als aan een vader” is opgenomen in het mysterie van de gehoorzaamheid van Christus: Zijn voedsel, zo zei Hij, was het voldoen aan de wens van zijn Vader, “om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen” (Johannes 11,52). Dus moeten wij allen en ieder voor zich, gehoorzaam aan de Geest van Christus, de wil van God zoeken en door gehoorzaamheid onze eigen wil in dienst van God en van onze broeders stellen, opdat in de gemeenschap de eenheid groeit waarvoor Christus zelf zich heeft gegeven. In het licht van het Woord van God en het hoogste leergezag van de Kerk, wordt Gods wil voor ons duidelijk door de genade die ons binnenste beroert en door de onderscheiding van de geesten. Maar ook door de dialoog, de eisen van het gemeenschappelijk leven, de richtlijnen van de overste, het voorbeeld van de broeders, de verplichtingen die ons werk met zich meebrengt en tenslotte door de tekenen des tijds en de gebeurtenissen in ons leven, komt Gods wil aan het licht.

De gelofte tot gehoorzaamheid lijkt schokkend in een tijd waarin de individuele vrijheid de hoogste waarde is.

Het woord gehoorzaamheid komt van obaudire, luisteren.
Gehoorzaamheid is niet zich onderwerpen, maar luisteren. Naar de overste natuurlijk, maar ook naar de broeder, naar elke broeder die in de gemeenschap een stem van God is. Een belangrijke plaats van gehoorzaamheid is het kapittel van de gemeenschap die een openheid van geest en luisterbereidheid veronderstelt die naar eenstemmigheid streeft, maar ook naar de verantwoordelijkheid van eenieder om vrank en vrij te antwoorden op wat men beluisterd heeft. De gehoorzaamheid is een eucharistische handeling van grote vrijheid: “Dit is mijn lichaam, dit is mijn leven, ik schenk het u”. Deze gave wordt echt in de opofferingen die van de broeders worden gevraagd als ze een goed lopende taak die men graag doet, moeten opgeven voor een andere, misschien minder dankbare taak; of als een gemeenschap het oude moet opgeven, zelfs als dat nog betekenis heeft, voor iets nieuws waarvan het nut nog moet blijken. Religieuzen zijn mensen die geen carrière willen maken. Het is een vorm van vrijheid.

De broeders kunnen vrij hun wensen en problemen, hun kundigheid en hun beperkingen bespreken met hun overste. In zaken die de hele gemeenschap betreffen, geven de broeders hun mening aan de overste en de andere leden, met name tijdens de kapittels van de gemeenschap. Maar in de meeste gevallen is het aan de overste om te bepalen en opdracht te geven wat er moet gebeuren. Door de gehoorzaamheid kan de broeder een actieve rol spelen in het uitvoeren van de missie van de gemeenschap.

Als gezagdragers moeten de oversten met aandacht en welwillendheid luisteren naar hun broeders. Zij moeten zorgen dat er een sfeer van wederzijds vertrouwen heerst, want dat is zeer belangrijk om een echte gemeenschap op te bouwen. Zij moeten ook de creativiteit in eenieder stimuleren en met allen samen de juiste wegen zoeken om de doelstellingen van de gemeenschap te bereiken.

De communio

Het bezielende basishandvest van reguliere kanunniken ligt in de beschrijving van de primitieve Kerk van Lucas: “En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel” (Hnd 4-32). Het doet er weinig toe of een dergelijke situatie wel of niet concreet en volledig gerealiseerd is in de primitieve Kerk: het belang voor de canoniale gemeenschap is het dynamisch model, het streven, een te bereiken doel. Zo legt Augustinus het uit in het begin van zijn Regel.

Door de geschiedenis heen hebben canoniale huizen in deze oproep tot gemeenschappelijk leven de ultieme betekenis van hun roeping gezien: één lichaam en één geest vormen. Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft de Katholieke Kerk beschreven als een gemeenschap van Kerken, verenigd in de eucharistie: één enkel brood wordt één enkel lichaam; de Kerk wordt de eucharistie, en de eucharistie wordt de Kerk, in de lijn van de apostolische traditie, verzekerd door de gemeenschap van de bisschoppen. Wat de Kerken verbindt is dat wat zij gemeen hebben: het lichaam van Christus. Hierdoor wordt autarkie van christengemeenschappen onmogelijk. De aanwezigheid van leken rondom het altaar of in het koor samen met de kanunniken betekent dat de priesters de communie niet geven maar haar bedienen; de priesters maken niet de eucharistie, zij bedienen het sacrament. In een canoniale gemeenschap moeten zowel de getijden als de eucharistie zodanig worden gevierd dat de gelovigen er zich thuis voelen. Het volk van God moet op ieder moment toegang kunnen hebben tot de canoniale liturgie om het priesterambt uit te oefenen door God te loven, en door te vieren.

Het lichaam van de Kerk is niet anders dan het lichaam van de eucharistie, dagelijks, niet alleen tijdens de mis, maar de hele dag door in het broederlijke sacrament. Een broeder is een heiligdom en deze dimensie richt het hele leven van de canoniale gemeenschap op de behoefte aan waarheid. Het gemeenschappelijke dagelijkse leven wordt een echo van het sacrament van het altaar. De tarwekorrels, gemalen voor het eucharistiebrood, zijn een duidelijk beeld van de broederlijkheid die de reguliere kanunniken samen moeten beleven.

De gave komt duidelijk tot uiting bij de canoniale gelofte op het altaar van de Kerk waaraan de broeder zich geeft: de professie is een eucharistisch offer, een doop in de dood en de wederopstanding van Christus. “Dit heilig brood”, schrijft Augustinus, “herinnert eraan hoe zeer u de eenheid moet liefhebben. Is het brood gemaakt van één korrel? Bestaat het niet uit een groot aantal tarwekorrels? Maar voordat ze samen een brood vormden waren de korrels gescheiden. Het is het water dat ze verbindt, nadat ze zijn vermalen”.

De dagelijkse eucharistie is zo de bron en het hoogtepunt van de dag en de getijden worden het verlengde van deze terugkeer naar het centrale punt. In canoniale gemeenschappen zijn zowel het gemeenschappelijk leven als het gemeenschappelijk bezit, als het zich scharen rond de eucharistietafel bedoeld als een zichtbaar bewijs voor de wereld van de mogelijkheid het Lichaam van Christus te verwezenlijken.

Wettelijke vermeldingen Contact