Een kanunnik (Lat. canonicus, van het Grieks kanôn, dat in eerste instantie maatlat betekent) is oorspronkelijk een priester, medewerker van de bisschop, die met hem een gemeenschappelijk leven leidt, rondom de kerk, in de stad waar hij zetelt, in eerste instantie zonder een bepaalde regel na te leven. Augustinus, bisschop in 395 geworden na een experiment met een klooster, veranderde zijn bisschops-huis in een “klooster voor clerici” (d.w.z. diegenen in de Kerk die zijn gewijd: priesters en diakens). Hij legde de clerus van zijn kathedraal een gemeenschappelijk leven in armoede op. Hij was de schrijver van de regel die het model vormt voor het canoniale leven, gebaseerd op leven in gemeenschap, het afstand doen van eigen bezit, kuisheid, gehoorzaamheid, het liturgisch leven en de pastorale bediening.
In de loop der tijd vormden zich colleges van kanunniken, onafhankelijk van de bisschop, rondom een grote of beroemde kerk, in dienst van de talloze gelovigen die er de mis bijwoonden. Uit deze colleges (Lat. colligere, verzamelen) of kapittels kwamen onze talrijke collegiale kerken voort (zeventien in Entre-Sambre-et-Meuse, gesticht van de 10e eeuw, - zoals de Onze-Lieve-Vrouwe van Leffe toen ze nog geen abdij was -, tot de 16e eeuw). Ze vergaarden snel veel macht en rijkdom.
In de 8e eeuw stelde Chrodegang van Metz een regel op, geïnspireerd op de regel van Benedictus, die moest gaan gelden in al deze groepen. In 816 werd op het Concilie van Aken een duidelijk verschil gemaakt tussen een canoniale orde en een monachale. De kanunniken, in tegenstelling tot monniken, konden bezit hebben en daar vrijelijk over beschikken; zij hadden inkomsten uit de domeinen en de privileges van hun kapittels: de beruchte prebende.
Tussen de 11e en de 12e eeuw, de gouden eeuw der kanunniken, keerden de meeste kanunniken het gemeenschappelijk leven de rug toe en kwamen nog slechts samen voor het liturgische gebed in het koor (het centrale deel van de kerk waarin zich de koorstoelen bevinden waarop zij zitten als ze het officie zingen). Er werden pogingen tot hervorming gedaan om terug te keren tot het oorspronkelijke apostolische ideaal.
Toen verschenen de reguliere kanunniken (die leefden volgens een regel), waaronder de norbertijnen met Norbert van Xanten (1134) een belangrijke plaats innamen. Deze reguliere kanunniken namen als leefregel de regel van Sint-Augustinus met alle voorschriften, met name de gelofte van armoede, en bliezen de regel zo nieuw leven in. Zij onderscheidden zich van hun voorgangers, die niet verplicht waren tot het kloosterleven en vanaf dat moment seculier werden genoemd (Lat. saecularis, van de wereld).
Tegenwoordig vormen alleen reguliere kanunniken de canoniale orde. Het zijn kloosterlingen die werkzaam zijn in het pastoraal werk in al zijn vormen. Seculiere kanunniken werken in de meeste kathedralen die ze bedienen en waarin ze op regelmatige tijdstippen samenkomen in gebed. Zij zijn door de bisschop gekozen en vormen een kapittel. Het zijn titulaire kanunniken in tegenstelling tot honoraire kanunniken, benoemd door de bisschop als eerbewijs, zonder directe band met het kapittel van de kathedraal.
zie Monniken
[bijgewerkt op 03.12.05]
Om u aan de nieuwsbrief (in het Frans) van de abdij te abonneren, gelieve uw e-mail adres hieronder te schrijven:
Zij die een canonisch leven gaan leiden, doen afstand van hun persoonlijke bezittingen en zoeken het broederlijk leven op, maar, anders dan de monniken, trekken ze zich niet terug uit de wereld. (lees verder)
Wettelijke vermeldingen | Plan van de site | Administratie | Totstandkoming Artégo | RSS