Home > De geschiedenis > tot de uitwijzing van de gemeenschap
De muren van de abdij werden in aller ijl weer opgetrokken. Na de lange periode van onrust kwam een periode van opbouw en bloei. Daartoe droegen schenkingen bij, zoals de testamentaire schenking in 1489 van de heerlijkheid Haute-Sorinne door Barthélémy de Spontin en zijn vrouw. De molens aan de rivier de Leffe werden een interessante bron van inkomsten. Oude teksten spreken van “fabrieken” gevestigd rondom de bedrijven, eerst familiebedrijven, die zich al snel flink uitbreidden. Met name dankzij deze nieuwe inkomsten kende de gemeenschap van 1484 tot 1583 een periode van wederopbouw, ondanks het verdwijnen van de archieven en de serie processen die dat met zich meebracht, en ook ondanks een opeenvolging van abten met korte ambtsperiodes en een zeer weinig stabiele sociaal-economische context. Sedert de regering van Karel V tot die van Maria Theresia (1515-1740) was België feitelijk vrijwel continu het toneel van bloedige oorlogen tussen Frankrijk en Spanje, en later tussen Frankrijk en Oostenrijk. De bevriende en vijandige legers doorkruisten de provinciën in alle richtingen, vertrapten de landerijen en zaaiden groot verderf. Soms was er een korte wapenstilstand, meestal veroorzaakt door gebrek aan manschappen of wapens.
Het tij keerde toen Georges du Terne met algemene instemming de leiding van het klooster op zich nam. Hij begon met de reconstructie van het klooster. Uit zijn ambtsperiode is nog een gebouw te zien dat dateert uit 1604. De abdij maakte in die tijd een periode van relatieve rust door, afgezien van een paar natuurrampen. In 1577 brak er een pestepidemie uit in Bouvignes en Dinant, en er vielen vele slachtoffers. In 1587 heerste er grote hongersnood die het sociale en economische leven langdurig verstoorde. Vanaf 1617 teisterde een nieuwe pestepidemie de streek rondom Dinant. De ziekte bleef het gebied met tussenpozen teisteren tot in 1636, het jaar waarin de abt van Leffe, Jean Noizet, aan de ziekte bezweek.
De pest die de dood van prelaat Jean Noizet en een aantal andere geestelijken veroorzaakte, ontwrichtte het kloosterleven enige tijd. De vroegere pastoor van Lisogne, Désiré Gouverneur, nam na enige maanden het roer in handen en kweet zich zeer wijs en discreet van zijn taak tot aan zijn dood in 1653.
Jacques Malaise volgde hem op. Helaas stierf hij 40 dagen later, nog zelfs voordat hij gezegend was. Hij componeerde verscheidene driestemmige motetten die verdwenen zijn. De beroemde musicoloog Fétis schreef hierover in zijn universele bibliografie van musici, dat ze “een zeer aangename klankkleur hebben en bijzonder ernstig en plechtig” zijn. Perpète Noizet nam de leiding over van 1653 tot 1672. Op zijn graf staat te lezen dat hij zeer geliefd was onder de kloosterlingen en grote geestelijke en lichamelijk kwaliteiten bezat.
Vanwege zijn verdienste was hij ook gewaardeerd door het generaal kapittel van de orde dat hem en zijn opvolgers de titel abt van Iveld gaf, een klooster in het bisdom Mainz dat luthers was geworden. Door deze fictie kregen de abten van Leffe eindelijk het gebruik van de mijter en de pontificale eretekens die de meeste andere norbertijnerabten al sinds de 14e eeuw hadden. In 1661 liet Perpète Noizet een vleugel bouwen die tot op heden bewaard is gebleven en waarop de datum van de bouw staat te lezen en het devies Virtute perenni.
De opvolger van Perpète Noizet, Pierre Lefèvre, was nooit pastoor geweest, in tegenstelling tot de meeste abten van Leffe. Hij woonde altijd al in de abdij, waar hij de functie van sacrist, novicenmeester en prefect vervulde. Hij was bekend met alle regels van de kloosterdiscipline en goed voorbereid op het handhaven van het kloosterleven. Hij aarzelde niet een onwaardige pastoor uit zijn ambt te zetten, zich streng te tonen in de vorming van de novicen en er soms weg te sturen. Zijn financiële bekwaamheid was ook welkom in die woelige tijden: in 1683 bond Karel II van Spanje de strijd aan met de pretendent Lodewijk XIV. Om de oorlog te bekostigen hief hij hoge belastingen in de Lage Landen.
Deze maatregel betekende voor veel abdijen opnieuw grote financiële problemen. Na de slag bij Fleurus in 1690 legden de zegevierende Fransen de provincie Namen een hoge belasting op. Bij deze beide gelegenheden moest de abdij van Leffe natuurlijk ook haar deel bijdragen. Een verklaring uit 1700 omtrent de bezittingen in het graafschap Namen, spreekt van voortdurende ruïneuze belastingen. Soms gebeurde het echter dat ze werden verminderd. In 1696 betaalde Lodewijk XIV aan de abdij van Leffe een rente terug van vijfentwintig en een halve zak haver, betaald aan de domeinen. Eenentwintig jaar eerder hadden de Fransen onder leiding van de koning, Dinant ingenomen en er nieuwe verdedigingswerken gebouwd. Ze bouwden onder meer een vooruitgeschouen fort op het land van de boerderij Malaise dat in bezit was van de abdij. Het fort stond boven het ravijn van Saint-Jacques en zorgde voor de verdediging van de zwakste zijde van de citadel, maar berokkende de abdij van Leffe veel schade doordat zij uitstekende gronden en een goede steengroeve moest missen. Abt Lefèvre vroeg een rechtvaardige vergoeding, de terugbetaling van deze rente en Lodewijk XIV stond hem dat per koninklijk besluit toe. Door deze verlichting van de lasten kon waarschijnlijk de tegenwoordige nog bestaande vleugel van de abdij met de datum 1682 worden gebouwd. Abt Lefèvre was een goed geestelijke en een verstandig bestuurder, hij had waarschijnlijk ook een goed ontwikkeld gevoel voor de spirituele broederschap die behoort te bestaan tussen de norbertijnergemeenschappen. In de archieven van de abdij bevindt zich nog een kopie van het vriendschapspact tussen zijn gemeenschap en die van Beau-Rrepart in Luik. Het was een belofte tot wederzijds gebed voor de overledenen en de respectievelijke intenties van beide gemeenschappen.
[bijgewerkt op 28.10.05]
Om u aan de nieuwsbrief (in het Frans) van de abdij te abonneren, gelieve uw e-mail adres hieronder te schrijven:
Op 6 juni 1134 overleed Norbertus, totaal uitgeput, in Maagdenburg. In 1625 werd zijn lichaam overgebracht naar de abdij van Strahov, bij Praag, waar zijn geestelijke volgelingen sindsdien over hem waken en hem vereren. (ontdek zijn leven)
Wettelijke vermeldingen | Plan van de site | Administratie | Totstandkoming Artégo | RSS