Home > De geschiedenis > De heropleving van het religieuze leven
De gemeenschap in ballingschap leed onder de harde gevolgen van de Duitse invasie in België. Op 15 augustus 1914 begon de strijd in Dinant. Na eerst te zijn teruggedrongen door het Franse leger, bezetten de Duitsers de stad op 21 augustus. Tussen 22 en 24 augustus werden 674 burgers gedood en 950 huizen gingen in vlammen op als vergelding voor de moord op Duitse soldaten vermoedelijk door partizanen.
Twee geestelijken die wilden vluchten via de Leffe onder de abdij van Leffe werden door de Duitsers neergeschoten. Daaren boven waren onder de bewoners van Leffe die door de Duitsers werden aangehouden op deze rampzalige ochtend 43 mannen, onder wie de portier van de abdij, die naar buiten moesten komen en werden doodgeschoten op het plein van de abdij, tezamen met 31 anderen. Leffe, met een totaal van 227 burgerslachtoffers vestigde het trieste record van de slachtoffers in Dinant en voorsteden.
Pater Adrien Borelly, die toen prior van de abdij was, vertelt breedvoerig over de tragische gebeurtenissen:
Op 23 augustus 1914 rond zeven uur’s morgens kwamen Duitse soldaten aan op het plein van de abdij. Ze trapten de deuren in en kwamen met geweld de huizen binnen. Ze verjoegen de bewoners die ze in groepen meenamen onder bedreiging en verplichtten hun armen omhoog te houden. Rond negen uur herbergde het klooster al meer dan 300 angstige mensen. Enige tijd later kwam een officier die bevel gaf alle mannen te verzamelen. De geestelijken, overtuigd dat het om een appèl ging, zochten alle over het huis verspreide mannen. Alle mannen, het waren er 43, trokken aan hem voorbij. Een minuut ging voorbij... Toen klonk er een kreet van angst uit 43 kelen... ze werden allemaal gedood op het plein van de abdij tegenover de witte muur van het huis Servais. Op diezelfde 23e augustus bood een officier van het 178e Saks zich rond de middag bij de eerwaarde pater en zei hem: “U moet 60.000 frank betalen omdat u op onze troepen heeft geschoten. Als dit bedrag niet binnen de twee uur is betaald, zullen we het vuur openen op uw huis”. De abt protesteerde tevergeefs, de officier hield vast aan zijn eis. De eerwaarde smeekte en vroeg op zijn minst een vermindering van het bedrag dat hij onmogelijk zou kunnen vinden in huis of daarbuiten. De officier stemde uiteindelijk erin toe met de chef, die hem gestuurd had, te overleggen. Na een tijdje kwam hij weer terug en deelde mee dat men zich tevreden zou stellen met 15.000 frank. Hij zou terugkomen om drie uur precies en het klooster in brand steken als de betaling uitbleef. Men moest dus berusten in de bedreiging. De gevangengenomen vrouwen werden op de hoogte gebracht van de kritieke situatie. Ze droegen bij om het bedrag dat de abdij niet in kas had bijeen te brengen. Zo slaagde men er met moeite in het bedrag van 15.000 frank te verzamelen. Op het afgesproken uur presenteerde de officier zich. Hij was ditmaal vergezeld door soldaten met bajonet op het geweer, en andere commandanten. Zelf richtte hij zijn revolver op de eerwaarde pater, legde het daarna op het bureau binnen zijn bereik, deed zijn handschoenen uit en telde één voor één de 15.000 frank die op tafel lagen. Hij stopte alles in zijn zakken terwijl hij verklaarde dat hij eigenlijk geen kerkelijk geld wilde accepteren. Hij gaf een op voorhand in het Duits geschreven ontvangstbewijs af en vertrok weer met zijn revolver in de hand.
Op 24 augustus leidde een huiszoeking in de abdij tot de vondst van een oud, roestig pistool en een antieke hellebaard, gebruikt door de suisse. Deze vondst was het excuus om de paters te beschuldigen van rebellie. De geestelijken werden uit de abdij verjaagd en opgesloten in de regimentsschool. Op 28 augustus moesten 17 geestelijken onder wie de abt zich voegen bij de colonnes gevangenen op weg naar Duitsland. De gevangenen pauzeerden in Marche, in Luxemburg. Daar kwamen ze de karmelieten uit Tarascon tegen die hier in ballingschap leefden. Het Duitse gezag stelde de gevangenen in deze stad voorwaardelijk in vrijheid. Op 24 september stelde generaal von Lonchamp ze weer in vrijheid en zuiverde hen van alle blaam. De gemeenschap zocht een toevlucht bij de benedictijnen van Ligugé, in ballingschap in Chevetogne, en bleven daar tot december.
Pater Adrien Borelly, prior, keerde terug naar Leffe om de toestand ter plaatse te bekijken. De abdij was tijdelijk in gebruik als gevangenis voor 1.800 vrouwen. Enkele dagen later kreeg de communauteit Leffe terug. Van de zestig geestelijken die in 1903 waren vertrokken uit Frigolet, waren er nog maar dertig in leven in 1919. Pater Adrien Borelly vestigde als nieuw gekozen abt zijn gemeenschap weer in de Provence in 1920. Pater Léon Perrier bleef in Leffe als gardiaan tot aan zijn benoeming tot abt van Frigolet in 1928. Toen werd hij vervangen door abt Adrien Borelly, die was afgetreden.
[bijgewerkt op 15.11.05]
Om u aan de nieuwsbrief (in het Frans) van de abdij te abonneren, gelieve uw e-mail adres hieronder te schrijven:
De parochiedienst is gewoonlijk de meest opvallende karaktertrek van de norbertijnerstichting. (lees verder)
Wettelijke vermeldingen | Plan van de site | Administratie | Totstandkoming Artégo | RSS