De Franse Revolutie

Home > De geschiedenis > tot de uitwijzing van de gemeenschap

JPG - 10.1 kB
Leffe 2002

Vanaf de zomer van 1789 kondigde de onrust in de steden van het prinsdom het einde aan van de instellingen die geërfd waren van het Ancien Régime. Op 18 augustus kwamen de Luikse democraten in opstand, omdat ze het niet eens waren met hun heer, Mgr. Van Hoensbroeck, een week later gevolgd door de inwoners van Dinant, verbitterd door de economische miserie.

Op 27 juni 1790 installeerden de Oostenrijkers zich in de hoeve de Viet, eigendom en toevluchtsoord van de norbertijnen van Leffe, om er hun hoofdkwartier te vestigen. Ze belegerden vervolgens het land van Leffe en installeerden in de door de kloostergemeenschap overhaast verlaten abdij een batterij kanonnen, gericht op Bouvignes. De patriotten gingen weer over tot de aanval, en door verbeten gevechten, waarbij tien Oostenrijkers sneuvelden, trokken de Oostenrijkers zich terug in Viet.

De overwinning van Jemappes van 6 november 1792 door de Franse generaal Dumouriez, bepaalde het lot van Dinant dat al was overgeleverd aan de invallen van het Franse garnizoen van Givet. In Dinant was men verre van verrukt, vooral toen de republikeinen op 8 november hun winterkwartier maakten in en rond de stad. Op 16 december riepen voorstanders van de nieuwe orde in Dinant het volk door aanplakbiljetten en door “optrommelen” bijeen in de kerk van het jezuïetencollege. Het volk werd uitgenodigd om een nieuwe, tijdelijke volksvertegenwoordiging te kiezen. De stad en haar buitenwijken werden verdeeld in zes districten. De abdij en het land van Leffe vormden het eerste district en de vergaderingen voor nieuwe kiesgerechtigde burgers vonden plaats in de abdij. Ook voor de andere districten waarvan de kiezers bijeen in de belangrijkste religieuze gebouwen van de stad. Er werden 66 kiesmannen gekozen en zij wezen op hun beurt 27 bestuurders en vijf gezworenen voor de stad aan. Op nieuwjaarsdag 1793 kondigden ze, nadat ze de Marseillaise hadden ingezet in plaats van het geplande Te Deum, de Republiek af in de collegiale Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het was nog geen annexatie, maar allen legden de eed af volgens het edict van 15 december, waardoor het Ancien Régime en de feodale rechten werd afgeschaft. Alle leken- en geestelijke organisaties werden van hun bezittingen beroofd, en de geestelijken werden gedwongen bij te dragen.

JPG - 18.4 kB
Frédéric Gérard (1780-1794)

Op 7 februari werden de poorten van de abdij van Leffe geforceerd. In tegenwoordigheid van drie vertegenwoordigers van de gemeente ondervroeg de vrederechter abt Gérard over de verdwijning van de roerende zaken. De abt bewaarde het stilzwijgen en, aangezien het doorzoeken van de kloostergebouwen niets had opgeleverd, gaf Bosque opdracht abt Gérard in voorlopige hechtenis te nemen en liet de registers en papieren van het klooster meenemen. Frédéric Gérard bleef gedurende vier dagen opgesloten in zijn kamer om na te denken over zijn “dwalingen”. Op bevel van de gemeente werd hij vervolgens onderworpen aan een strenge ondervraging. Maar de abt hield hardnekkig vol en niet zonder reden: de begeerde voorwerpen waren verborgen in Namen. Hij werd toen opgesloten in een huis naast het stadhuis. Zijn hechtenis was langdurig en moeilijk. Zijn cipiers beledigden hem en noemden hem “de eerste en ergste despoot van Dinant”. De andere geestelijken van de gemeenschap kregen het ook benauwd. Zij verschenen verscheidene keren voor de gemeentelijke gezagdragers die door de hele affaire in verlegenheid waren gebracht. Ze vroegen een borgsom van 50.000 florijnen voor de vrijlating van Gérard maar Bosque verzette zich daartegen. De hechtenis duurde voort en leverde uiteindelijk iets op. De schuilplaats werd prijsgegeven. De inventaris van de roerende zaken begon op 13 februari en werd vervolgd op 26 februari en 5 maart. In totaal werden meer dan 1.700 ons zilver, geschat op 8.554 pond, geïnventariseerd door Henri Nalinne, edelsmid van Dinant. Het processiekruis, de zes grote kandelaars van het hoofdaltaar, de kromstaf van de abdij, miskelken, wierookvaten, bestek en zelfs een ragoûtlepel, niets ontsnapte aan de controle.

Tegen alle verwachting in bleef Frédéric Gérard in hechtenis. Hoewel Luik opnieuw bezet was door de keizerlijke macht op 5 maart, bevonden Bosque en Lehoday zich in een sterke positie en weigerden tot het laatst abt Gérard in vrijheid te stellen. Hij kon daardoor pas op 18 maart, na het vertrek van de Fransen, terugkeren naar zijn gemeenschap.

Op 28 mei 1794 scheepten elf norbertijnen van Leffe, onder wie abt Gérard, zich haastig in op de gehuurde schepen van een herbergier uit Leffe die ze mee zou nemen tot in Maastricht, verborgen onder balen stro. De slimme herbergier bracht deze balen stro overigens in rekening toen de geestelijken op 8 november terugkeerden! Een tweede groep verliet de abdij de volgende dag, 29 mei. Dit vertrek leidde tot anarchie. De bezittingen van degenen die vertrokken waren werden geplunderd: klokken, ijzer, koper, graan, meubels en andere zaken uit de bibliotheek inladen. Toen de norbertijnen terugkeerden troffen ze hun huis volledig leeg aan.

Croix de procession (dinanderie du XVIIe s.) Op 5 mei 1795 verhuurde de Republiek, in afwachting van het definitieve verkoop, de tuinen en de wijngaard grenzend aan de abdij die de geestelijken hadden moeten verlaten. Op 1 september 1796 hief de regering in België de “reguliere congregaties en ordes, kloosters, abdijen, priorijen, reguliere kanunniken, kanunnikessen en in het algemeen alle huizen of religieuze instellingen van beiderlei kunnen” op; alle roerende en onroerende bezittingen werden in beslag genomen en de geestelijken kregen een bon van 15.000 frank, de lekenbroeders 5.000 frank, de zusters 10.000 frank en de lekenzusters 3.334 frank. Deze bonnen konden alleen worden gebruikt voor de aankoop van nationale goederen afkomstig uit de Lage Landen.

Voor de Staat bestonden de geestelijken niet meer: het waren eenvoudigweg burgers, onderworpen aan de wetten van het land, ontslagen van de verplichtingen van hun gelofte, die konden huwen, handelen of bezittingen kopen. Maar door de gelofte van armoede konden de geestelijken geen persoonlijke bezittingen hebben; uit religieus oogpunt hadden ze zelfs de bonnen, die de regering als toelage had geboden, niet kunnen aannemen als paus Pius VI hen niet de noodzakelijke dispensatie had gegeven. De bonnen, die werden verdeeld, stelden de geestelijken in staat enkele van hun bezittingen terug te kopen.



[bijgewerkt op 15.11.05]

 

Nieuwsbrief

Om u aan de nieuwsbrief (in het Frans) van de abdij te abonneren, gelieve uw e-mail adres hieronder te schrijven:


inschrijven uitschrijven

Weet je dat?

Circarie

Een circarie was bij de norbertijnen een linguistische streek toevertrouwd aan de zorgen van een visitator aangewezen door de abt-generaal. (lees verder)