Lexikon

Home > Lexikon

Per alfabetische volgorde :
a | b | c | d | e | f | g | h | i | j | k | l | m | n | o | p | q | r | s | t | u | v | w | x | y | z

Een term voorstellen om aan het lexicon toe te voegen


A


  • Abt : Abt verwijst naar de prelaat, die aan het hoofd van de abdij staat. Hij is meestal de overste van een canonie. Niet alle prelaten zijn abt en in sommige gevallen is een prior of administrator overste van een canonie. Historisch gezien is de figuur van abt de norm.
    Bij de norbertijnen wordt hij meestal gekozen door alle de profesten in kapittel bijeen. Hij kan voor het leven worden gekozen met een verplichte leeftijdsgrens, of voor een tamelijke lange, verlengbare periode. Hij moet in de (...)

Bovenblad

C


  • Canonie : Een canonie bestaat uit een abdij (autonoom huis met een abt) of een autonome priorij (met een prior) en diverse ondergeschikte huizen (priorijen, studiehuizen, opleidingshuizen, colleges en andere instellingen). De term wordt ook gebruikt om alle leden van een zo genoemde eenheid aan te duiden.
  • Circarie : Een circarie was bij de norbertijnen een streek toevertrouwd aan de zorgen van een circator. Tegenwoordig zou men spreken over een provincie onder een visitator of een inspecteur. Het woord komt van circumire (Lat.), hetgeen betekent “ergens rond trekken” of “een rondreis maken” en zelfs in militaire taal “patrouilleren”. In het begin ging het dus om een geografische eenheid, een groepering van een aantal kloosters of priorijen, zodat de circator gemakkelijk van de één naar de ander kon reizen om (...)

Bovenblad

G


  • Getijden : De lauden (Lat. voor lof) bij de dageraad, als de zon opgaat; en de vespers (Lat. voor avond) als de zon ondergaat en men de lampen ontsteekt voor de nacht, zijn de belangrijkste getijden en de meest symbolische momenten.
    Volgens de Romeinse dagindeling en hun benaming zijn er nog terts, sext en none, de getijden overdag, om 9, 12 en 15 uur volgens onze telling.
    De lezingen dienst is een voortdurende meditatie op de Heilige Schrift en de schat van de traditie, verbonden aan het tijdeigene (...)

Bovenblad

K


  • Kanunniken : Een kanunnik (Lat. canonicus, van het Grieks kanôn, dat in eerste instantie maatlat betekent) is oorspronkelijk een priester, medewerker van de bisschop, die met hem een gemeenschappelijk leven leidt, rondom de kerk, in de stad waar hij zetelt, in eerste instantie zonder een bepaalde regel na te leven. Augustinus, bisschop in 395 geworden na een experiment met een klooster, veranderde zijn bisschops-huis in een “klooster voor clerici” (d.w.z. diegenen in de Kerk die zijn gewijd: priesters en (...)
  • Kappitel : Bij de monniken komt de gemeenschap dagelijks bijeen rondom de overste die een stuk van de regel leest om dat te commentariëren, in Lat. capitulum (cf. het woord capitulum “hoofdstuk”, technische term voor korte lezing uit de Heilige Schrift tijdens het officie; het is de feitelijke betekenis van het Latijnse woord). Wat men tegenwoordig onder kapittel verstaat is dus die vergadering, die’s morgens of’s avonds wordt gehouden. Het moment waarop nieuws wordt gegeven, taken worden verdeeld, of (...)

Bovenblad

L


  • Lekenbroeders : Vroeger leefden er kanunikken en ook lekenbroeders in de gemeenschappen. Deze hadden een totaal andere levenswijze, meer gericht op handenarbeid.

Bovenblad

M


  • Monniken : Monniken (Lat. monachus, van het Grieks monakhos, alleen levend) bouwen voort op de eerste kluizenaars, die de gejaagdheid en de verstrooiing van de wereld ontvluchtten en zich ver van de wereld vestigden, in dienst van God, die ze wilden loven en dienen, om een volmaakt leven te leiden. Deze kluizenaars vormden langzaam maar zeker groepen die zich richtten op het gebed en het zoeken naar God zonder de andere levensbehoeften te verwaarlozen. Van eremiet werden ze coenobieten (Gr. koinos, (...)

Bovenblad

P


  • Prelaat : Overste van de canoniale gemeenschap, verkozen voor een welbepaalde tijd of levenslang. Hij waakt over de eenheid van de gemeenschap, alsook over de geestelijke en materiële groei ervan. Meestal is de prelaat ook abt maar het kan ook de prior zijn in het geval van een onafhangkelijke priorij.
  • Prior : Een eeuwige geprofeste, een priester, die door de prelaat benoemd wordt en de opdracht krijgt de gemeenschap te leiden, samen met de prelaat. Het is de prior die bij afwezigheid van de prelaat het bestuur overneemt.

Bovenblad

R


  • Recreatiezaal : Oorspronkelijk de enigste kamer in de abdij die gestookt werd, is de recreatiezaal (calefact) tegenwoordig een ruimte waar de gemeenschap samenkomt bijvoorbeeld na de maaltijd.

Bovenblad

S


  • Slot : Bij de Norbertijnen betekent het slot het gedeelte van de abdij dat niet toegangkelijk is voor de gasten. Dit, om een zekere intimiteit en ruimte tot gebed te vrijwaren.
  • Spreekkamer : Salon waar een lid van de gemeenschap zijn bezoekers kan ontvangen.

Bovenblad

Een term voorstellen om aan het lexicon toe te voegen

 

Nieuwsbrief

Om u aan de nieuwsbrief (in het Frans) van de abdij te abonneren, gelieve uw e-mail adres hieronder te schrijven:


inschrijven uitschrijven

Weet je dat?

Gevangenis

In 1466, was de abdij hetzelfde lot als de stad beschoren. Zij werd vernield, de kerk en de bijgebouwen in brand gestoken en bijna volledig verwoest. De abt en zijn geestelijken werden gevangen genomen. Gedurende een periode van zes maanden was de abdij verlaten. (lees verder)